Democratie is recept voor verspilling
Door de volkswil loopt alles vast
Dat Francis Fukuyama in 1992 het einde van de (politieke) geschiedenis aankondigde is bekend. Letterlijk sprak hij van 'de universalisering van de westerse liberale democratie als de uiteindelijke vorm van menselijk bestuur'. In het licht van de schuldencrisis die Europa en de VS teistert, was dat op zijn minst prematuur.
Die crisis is geen geïsoleerd fenomeen. Zij maakt deel uit van een waaier aan problemen waar democratische maatschappijen mee te kampen hebben: permanente inflatie, endemische werkloosheid, alomtegenwoordige bureaucratie, falend onderwijs, een verkokerde zorgsector, ondermaatse politie en justitie, criminaliteit, hufterigheid, sociale spanningen. Ondertussen staan politici machteloos. Ze zijn de gevangenen van verkalkte partijstructuren, belangengroepen en de waan van de dag.
De problemen worden onderkend, maar weinigen durven onder ogen te zien dat we te maken hebben met een systeemfalen. En de naam van het systeem is: democratie.
Democratie is in het Westen uitgegroeid tot een diepgeworteld geloof. Het staat voor alles wat goed en rechtvaardig is. Kritiek op dit ideaal is taboe. Dat maakt ons blind voor de structurele gebreken ervan.
Democratie lijkt een politiek neutraal stelsel. Iedere stroming kan in principe aan de macht komen. Maar die neutraliteit is misleidend. Kenmerk van democratie is dat over alle belangrijke zaken in de maatschappij 'samen' wordt beslist, door het volk. In de praktijk is dat de door het volk gekozen regering, die de Staat bestuurt.
Dat houdt in dat alle belangrijke beslissingslijnen via de Staat lopen. Dit collectivistische stelsel, aangestuurd door periodieke verkiezingen, bergt een aantal perverse prikkels in zich, die tot de huidige toestand hebben geleid.
Ik noem een aantal voorbeelden van typisch democratisch disfunctioneren.
— Kortetermijnpolitiek. Ex-minister van Sociale Zaken Aart Jan de Geus liet zich ooit ontvallen: 'Leiders zouden moeten regeren alsof er geen verkiezingen meer kwamen, dan zouden ze op langere termijn denken.' Maar zo werkt het niet in een democratie. Politici en ambtenaren besturen een land dat niet van hen is met middelen die niet door henzelf zijn opgebracht. Ze blijven aan de macht door kortetermijnbehoeften van het electoraat te bevredigen ten koste van langetermijnoverwegingen. Zie de structurele begrotingstekorten en staatsschulden.
— Potverteren. Democratie kun je vergelijken met een groep mensen die dineert in een restaurant en de rekening deelt. Daarbij wordt iedereen gestimuleerd om zijn lasten af te wentelen op de anderen en zijn lusten te genieten ten koste van de rest. Mensen stemmen op partijen die hun persoonlijke wensen (gratis schoolboeken, hogere bijstandsuitkeringen, subsidies voor kinderopvang) laten betalen door anderen. In het restaurant is er sociale controle, landelijk of Europees werkt dat niet.
— Interventionisme. Democratie heeft geleid tot een systeem van grootschalige manipulatie van het financiële stelsel. Banken mogen in gebroederlijke samenwerking met de monetaire autoriteiten grote hoeveelheden ongedekt papiergeld de economie in jagen. Dit systeem biedt politici de ongekende weelde van een geldkraan waar ze aan kunnen draaien naargelang de electorale wind waait. Tot het mis gaat en dan is het de schuld van 'de vrije markt'. De Amerikaanse politicus en schrijver Benjamin Franklin schreef al in de 18de eeuw: 'Wanneer het volk ontdekt dat ze al stemmend geld kunnen verdienen ('that they can vote themselves money'), is het einde van de republiek nabij.'
— Subsidiecultuur. Een groot deel van de middelen die door productieve burgers wordt opgebracht, wordt in een democratie door de Staat 'herverdeeld'. Dit heeft tot gevolg dat mensen en organisaties erop gespitst zijn om zich zo veel mogelijk van deze buit toe te eigenen. Het ongegeneerde parasitisme van onze culturele sector is welbekend, maar ook bedrijven en allerlei andere belangengroepen azen voortdurend op subsidies en privileges.
— Regelzucht. Alle lijnen lopen via de Staat, dus alle oplossingen moeten komen van de Staat. Die kan de problemen maar op één manier te lijf gaan: met regelgeving en bureaucratie. Die dijt dan ook voortdurend uit, ook al beloven politici altijd de regels terug te dringen.
— Centralisatie. Het democratische besluitvormingsproces leidt tot centrale sturing en 'one-size-fits-all'-oplossingen. Den Haag vertelt wat iedereen voor onderwijs moet volgen, hoe de zorg moet worden georganiseerd, enzovoort. Het resultaat is voor iedereen onbevredigend. De enige 'hervorming' die ooit echt iets zal uithalen is dat de overheid zich niet meer bemoeit met onderwijs, zorg en andere 'collectieve' sectoren. We hebben toch ook geen ministerie van Voedingsdistributie dat het supermarktwezen regelt? Waarom dan wel voor onderwijs en zorg?
— Sociale spanningen. We moeten overal samen over beslissen, dus zijn we voortdurend bezig onze persoonlijke normen aan anderen op te leggen of worden we gedwongen de normen van anderen over te nemen. Ieder incidentje — van een relletje in Gouda tot ganstrekken in Limburg — wordt opgeblazen tot een maatschappelijk probleem, waar weer nieuwe regels voor moeten komen.
— Afhankelijkheidscultuur. In een democratie regelt de overheid de solidariteit. Die overheid heeft er belang bij dat mensen afhankelijk worden gemaakt van haar instellingen. Zelfredzaamheid en onderlinge hulpvaardigheid worden ondermijnd.
Veel mensen voelen aan dat het democratische stelsel vastloopt, maar ze zien niet zo gauw een redelijk alternatief. Dat komt doordat iedereen aanneemt dat democratie hetzelfde is als vrijheid. De enige andere keus is dan: dictatuur. Maar democratie is geen vrijheid. Het is een vorm van dictatuur — de dictatuur van de meerderheid. We vergeten dat de grote liberale denkers uit de 18de en 19de eeuw helemaal niet gecharmeerd waren van democratie. Zo was de Amerikaanse revolutie in 1776 een liberale revolutie, geen democratische.
De moderne democratie ontstond met de opkomst van het nationalisme in de 19de eeuw. Het heeft ons geleid naar machtige staten die worden geregeerd door politieke elites, bureaucraten en belangengroepen. In Europa wordt hier nog een laag aan regenten en lobbyisten bovenop gesmeerd. De elites proberen ons wijs te maken dat er geen andere redelijke keuze is dan dit systeem. Al het andere is fascisme of populisme.
Maar alternatieven zijn wel denkbaar. We kunnen ook streven naar decentralisatie. Naar kleine bestuurlijke eenheden, waarin mensen vrij zijn om te leven zoals zij willen, en alleen samen beslissen over zaken die hen echt samen aangaan, zoals de inrichting van de publieke ruimte. Die ministaatjes kunnen met elkaar samenwerken om zich te verdedigen tegen geweld van buitenaf en om handel te drijven. In zo'n wereld staat het mensen overigens vrij om in een socialistische of religieuze gemeenschap te leven, zolang ze maar niemand dwingen om hieraan mee te doen.
Een kleinschalige, vrije samenleving is geen samenleving waarin mensen lak hebben aan elkaar en alleen doen waar ze zin in hebben. Integendeel, vrijheid doet een beroep op mensen om samen te werken. Het zal mensen stimuleren om de eigenschappen te hervinden die we in onze democratie zijn kwijtgeraakt, maar die hard nodig zijn om een betere wereld te maken: zelfredzaamheid, verantwoordelijkheidsgevoel, spaarzin, zelfdiscipline, toewijding, saamhorigheid, hulpvaardigheid.
Utopisch? Misschien. Maar dat is democratie zelf ook ooit geweest. De wereld heeft vaker politieke omwentelingen meegemaakt. Er is geen reden om te denken dat we aan het einde van de geschiedenis zijn beland. Als straks ons monetaire stelsel in elkaar stort, en we kwijt zijn wat we aan vermogen dachten te hebben opgebouwd, zal de democratie zwaar onder druk komen te staan. Daarom moeten we nu een debat voeren over waar we straks naar toe moeten: naar meer Staat of meer vrijheid.
We hebben te maken met een systeemfalen - 'One size fits all'-oplossingen zijn voor ieder onbevredigend.
De auteur Karel Beckman is publicist en journalist bij fd.nl
Wie meer wil lezen kan zijn paperback aanschaffen via www.dedemocratievoorbij.nl

