Oprichting familie- en jeugdrechtbank
De familiale geschillen zijn momenteel verspreid over verschillende rechtsmachten: vrederechters, rechtbank van eerste aanleg, jeugd- of kortgeding-rechtbank.
Deze versnippering leidt tot bevoegdheidsconflicten en zelfs incoherenties tussen rechterlijke beslissingen, en is bijgevolg onbegrijpelijk, nutteloos en inefficiënt voor de rechtzoekende.
Dit wetsvoorstel heeft als doel de dienstverlening aan de burger te verbeteren door de oprichting van een «familie- en jeugdrechtbank», afdeling van de rechtbank van eerste aanleg waarin alle rechterlijke bevoegdheden met betrekking tot de familiale geschillen en jeugdproblematiek ondergebracht zullen worden.
De grote lijnen van dit project zijn:
• coherentie : door het groeperen van de familiale bevoegdheden
• eenvoud en toegankelijkheid : door het inrichten van soepele procedures;
• gericht op geruststellende oplossingen in het belang van het kind: indien mogelijk door de voorkeur te geven aan de verzoening en de bemiddeling;
• specialisatie : de magistraten van deze afdeling zullen een specifieke opleiding genoten hebben. De advocaten die de minderjarigen bijstaan zullen ook een specifieke opleiding gevolgd moeten hebben;
1. VERDELING VAN DE BEVOEGDHEDEN BINNEN DE FAMILIE- EN JEUGDRECHTBANK
De gerechtelijke bevoegdheden met betrekking tot de familiale geschillen en jeugdproblematiek zullen verdeeld worden binnen een afdeling van de rechtbank van eerste aanleg.
2. ÉÉN FAMILIE = ÉÉN DOSSIER
In familiezaken zal het geheel aan rechtelijke beslissingen betreffende een familie in één dossier bewaard worden en indien mogelijk door dezelfde magistraat. Dit zal de coherentie in de beslissingen die ten aanzien van deze familie werden genomen, garanderen.
Het gaat hierbij voornamelijk om volgende geschillen:
• Alle geschillen m.b.t. een (echt)paar ;
• Alle geschillen over of ten aanzien van de kinderen van dit (echt)paar ;
• Inzake jeugdrecht : het ontwerp wijzigt niets aan de wet van 8 april 1965 wat betreft de beschermingsaspecten.
3. DRINGENDE ZAKEN
De hoogdringendheid heeft nog enkel gevolgen voor de toepasselijke procedure en niet meer voor de aanduiding van de bevoegde kamer (die een familiekamer zal zijn). Verscheidene situaties van hoogdringendheid zullen in aanmerking genomen worden.
• De ingeroepen hoogdringendheid
• Toepassing, voor de familie- en jeugdrechtbank, van de huidige kort geding-procedure ;
• Vermoedelijke hoogdringendheid
• voor bepaalde, specifieke materies zal hoogdringendheid worden verondersteld. Het gaat om volgende materies :
• gescheiden verblijfplaatsen
• ouderlijk gezag
• verblijfsregeling
• recht op persoonlijk contact;
• Voor deze materies zal de procedure in aanzienlijke mate worden versoepeld (procedure "zoals in kort geding")
• Voor de andere zaken, blijft de "gewone" procedure van toepassing.
4. BLIJVEND AANHANGIG of DE BLIJVENDE SAISINE
• Het principe van de blijvende saisine zal van toepassing zijn op de zaken die onder de "vermoedelijke hoogdringendheid" vallen (gescheiden verblijfplaatsen, ouderlijk gezag, verblijfsregeling en recht op persoonlijk contact) alsook op de geschillen inzake onderhoudsbijdragen. Dit biedt de rechtzoekende de mogelijkheid de zaak opnieuw voor de familie- en jeugdrechtbank te brengen middels een vereenvoudigde procedure in geval zich een nieuw element voordoet:
• Nuanceringen op dit principe zijn voorzien (mogelijkheid tot veroordeling in de kosten);
5. DE PERSOONLIJKE VERSCHIJNING
De persoonlijke verschijning van de betrokkenen is verplicht in alle gevallen die het kind aanbelangen. Het is de bedoeling het bemiddelings- en/of verzoeningsproces te bevorderen. Daar waar een persoonlijke verschijning niet gerechtvaardigd is, wordt deze afgeschaft (echtscheiding…).
6. DE BEMIDDELING EN DE VERZOENING
De bemiddeling en verzoening worden sterk aangemoedigd. Bij de inleidingszitting dienen de partijen een attest voor te leggen waaruit blijkt dat zij een (collectieve of individuele) informatiesessie inzake bemiddeling hebben bijgewoond
Bij de inleiding van een zaak voor de familie- en jeugdrechtbank, zullen de magistraten de mogelijkheden tot een (zelfs gedeeltelijk) akkoord tussen de partijen dienen te onderzoeken. Zij zullen de partijen trachten te verzoenen en desgevallend voorstellen om, met de hulp van een derde, een bemiddelingsproces te starten.
7. ZITTING ACHTER GESLOTEN DEUREN (wet van 2 juni 2010)
De openbaarheid van de zittingen vormt een essentieel element van het recht op een eerlijk proces.
Niettemin kan een zitting achter gesloten deuren, in bepaalde gevallen waarin zaken met betrekking tot het kind aan bod komen (afstamming, ouderlijk gezag, adoptie, voogdij, echtscheiding…), garant staan voor de sereniteit van de rechtszaak en het eerbiedigen van het belang van het kind.
Voor dit soort geschillen zal de zitting dus achter gesloten deuren plaatsvinden, waarbij de rechter evenwel de mogelijkheid heeft om op elk moment de zitting weer openbaar te maken.
8. HET HOREN VAN MINDERJARIGEN
Elk kind vanaf twaalf jaar alsook de kinderen jonger dan twaalf jaar die beschikken over het vereiste onderscheidingsvermogen hebben het recht gehoord te worden.
Teneinde de werkwijze voor het horen van kinderen meer op mekaar af te stemmen (momenteel nog zeer verschillend in functie van de arrondissementen), wordt in de tekst o.a; aandacht geschonken aan de rol van de rechter,er wordt gewezen op het recht van de minderjarige zich te laten adviseren en bijstaan en de wijze waarop het verslag gebruikt wordt..
9. BIJSTAND VOOR MINDERJARIGEN
De minderjarigen die voor de jeugdkamer van de familie- en jeugdrechtbank verschijnen, hebben recht op bijstand van een advocaat. Er wordt voorzien in een specifieke opleiding voor deze jeugdadvocaten.
10. BEVOEGDHEDEN VAN DE VREDERECHTERS
De rol van de vrederechters als beschermers van de allerzwaksten wordt versterkt. In die zin krijgen zij nieuwe bevoegdheden toegewezen, onder andere in alle materies inzake onbekwaamheid, behalve de vaststelling van de voortdurende onmogelijkheid om het ouderlijk gezag uit te oefenen, de ontvoogding en de verklaring van afwezigheid.
Bovendien wordt het initiële bedrag van hun bevoegdheid ratione summae geïndexeerd, om zodoende een evenwicht te brengen in de werklast van elke rechterlijke actor, ten gunste van een efficiënt beheer van justitie.

