Droeve ervaringen met een federale kieskring
Door RUDY BLOMME op 07/09/2010
EDI CLIJSTERS (EX-ACADEMICUS, EX-JOURNALIST, EX-DIPLOMAAT) LEGT ALS ONAFHANKELIJK WAARNEMER ONGEVRAAGD ENKELE IDEEËN OVER POLITIEK VOOR AAN DE (PRE)FORMATEUR IN KNACK:
Sinds de vrees voor het voortbestaan van dit koninkrijk blijkbaar weer is opgelaaid, wordt vlijtig naar middelen gezocht om de samenhang ervan te verstevigen. Een van die middelen zou, aldus een groepjes, hoogleraren, een federale kieskring zijn.
Om het zogenaamde communautaire opbod aan weerskanten van de taalgrens in te tomen, en ervoor te zorgen dat 'politici van beide gemeenschappen zich meer verantwoordelijk zouden voelen voor het hele land' zou men, aldus de zogenaamde Pavia-groep, een beperkt aantal toppolitici kunnen laten verkiezen in een federale kieskring, die het hele land zou omvatten.Een merkwaardig pleidooi is dat. Want stelt de Belgische grondwet niet uitdrukkelijk dat elk parlementslid de gehele natie vertegenwoordigt? 'Les membres des deux chambres représentent la nation, en non uniquement la province ou la subdivision de province qui les a nommés' hette het al in 1831 (in het Frans, want een rechtsgeldige Nederlandstalige tekst van de Belgische grondwet kwam er pas 136 jaar later).Natuurlijk is die bepaling slechts één voorbeeld naast de vele andere van het soms nogal hallucinante onderscheid tussen grondwettelijke theorie en politieke praktijk. Daarover hoeft het pleidooi niet te struikelen. Maar de geloofwaardigheid van de pleitbezorgers zou er wél bij winnen indien zij elementaire feiten uit de vaderlandse politieke geschiedenis niet uit het oog zouden verliezen.Allereerst bijvoorbeeld het simpele feit dat zo'n federale kieskring (die het hele land zou omvatten) nooit heeft bestaan. Nochtans lijkt de samenhang van het koninkrijk althans door dat gemis nooit ernstig in gevaar te zijn gebracht. Integendeel. Eén enkele keer (in het referendum dat een einde moest maken aan de Koningskwestie) konden Vlamingen en Franstaligen in het hele land, over alle kieskringen heen, stemmen over één duidelijke vraag die hen allemaal evenzeer aanging en overal dezelfde was. En juist die hoogdag van Belgische democratie bracht ons land op de rand van een burgeroorlog.
Het pleidooi verliest nog meer feiten uit het oog, hoewel die in de voorbije maanden toch ruimschoots aandacht kregen.In zekere zin bestond er immers altijd al een 'federale kieskring in het klein': de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde, die zoals bekend nog steeds bestaat.Daar kunnen inderdaad Vlaamse kiezers voor Franstalige politici kiezen en omgekeerd. En kunnen zij dus - zoals de voorvechters van een federale kieskring dat graag in het hele land zouden zien gebeuren - ophitsende kreten van anderstalige of eigen politici afstraffen indien ze dat zouden wensen. Alleen is B-H-V niet meteen het meest geslaagde voorbeeld van communautaire pacificatie gebleken...Uit de electorale geschiedenis van die ene real existierende federale kieskring valt trouwens: voor wie dat wil - veel te leren. Het was immers in B-H-V dat de spanningen binnen drie traditionele partijen in 1968-1971 zo hoog opliepen dat Vlamingen en Franstaligen uit dezelfde politieke families na een vechtscheiding elk hun eigen weg gingen en met afzonderlijke lijsten naar de kiezer trokken. En het was - en is - in die enige 'federale kieskring' dat de systematische weigering van de Franstaligen om Belgische afspraken te respecteren al ruim veertig jaar lang de communautaire koorts telkens weer opstookt.Precies dat stoken wil men terugdringen. Een federale kieskring, zo luidt het, is nodig om Vlamingen en Franstaligen die hun buik vol hebben van het communautaire opbod, de mogelijkheid te geven dat ook in het stemhokje duidelijk te maken. een nobele vaderlandslievende gedachte. Alleen kun je je de vraag stellen of het daarvoor nodig is dat ze op politici uit een andere deelstaat kunnen stemmen. Niets of niemand kan toch beletten dat in Vlaanderen (én in Wallonië, én uiteraard ook in Brussel) uitgesproken belgicisten naar de gunst van de kiezer dingen?De provinciale kiesdrempel van 5 procent kan daarbij geen bezwaar zijn, aangezien volgens zowat alle opiniepeilingen ook in Vlaanderen nog een overweldigende meerderheid gewonnen is voor het voortbestaan van België. Misschien is het wel ietwat bevreemdend dat de BUB (Belgische Unie-Union Belge) als sterkste uitgesproken belgicistische formatie (met ongeveer 10.000 stemmen in het hele land) niet over die drempel heen raakt, terwijl figuren als Jean-Pierre Van Rossem of Jean-Marie Dedecker dat wel konden.
Maar waarom wordt dat theoretische machtige potentieel in Vlaanderen dan niet aangeboord door een van de traditionele partijen, die zich toch graag als staatsdragend beschouwen? Halfslachtige pogingen doen ze alle vier, maar voluit durft kennelijk niemand nog de gok te wagen, sinds de toenmalige liberale partij in 1968 smartelijk moest ondervinden dat de tricolore kaart in Vlaanderen niet meer electoraal rendeert. aan Franstalige kant ligt dat wel even anders, al heeft (bijvoorbeeld) CDH daar bitter weinig baat bij gehad bij het partijpolitieke kapen van de nationale wapenspreuk.
Maar stel dat we - breeddenkend en toegeeflijk als Vlamingen nu eenmaal zijn - zo'n federale kieskring toch een kans zouden geven. Dan moeten wel eerst nog een aantal praktische vragen worden beantwoord.Allereerst: hoeveel Kamer- en/of Senaatszetels zouden via die federale kieskring worden toegekend? Houden we het bij een schuchter experimentje (met bijvoorbeeld 15 zetels van de 150 in de Kamer) of is het menens, en laten wij bijvoorbeeld de helft van Kamer en Senaat verkiezen in een 'Belgische' kieskring?Als de federale kieskring slechts voor één zetel op de tien zou zorgen, krijgt de kiezer niet alleen de indruk dat de voorvechters hun eigen suggestie niet werkelijk ernstig nemen. Met zo'n gering aantal mandaten, te verdelen over allicht een partij of tien, dreigt de federale kieskring bovendien eerder een olifantenkerkhof te worden (waar de partijen grote kopstukken heen sturen die ze liever kwijt willen, een beetje zoals het Europees Parlement vroeger) in plaats van een combat des chefs. En zelfs dan zou die test weinig meer zijn dan een soort nationale poppoll, aangezien - anders dan nu bij de verkiezingen voor de Senaat - die chefs geen extra zetels kunnen opleveren.Dus toch maar pakweg de helft van de zetels in een federale kieskring laten verkiezen? Dan schuilt er een andere en bijzonder gevaarlijk adder onder het gras.Want: zetten we maximaal in op de mogelijkheid om ook politici van de andere taalgemeenschap te belonen of af te straffen, en verdelen we die federale zetels dus gewoon in verhouding tot het aantal behaalde stemmen? Of laten we Belgische voorzichtigheid primeren, en leggen we bij voorbaat vast hoeveel zetels aan Franstaligen, respectievelijk aan Vlamingen kunnen worden toegekend, onafhankelijk van eventuele onevenwichten qua aantal stemmen?In dat laatste geval heeft de federale kieskring praktisch geen zin meer, omdat het bestraffende effect dan feitelijk verdwijnt. Maar in het eerste geval zal het aantal zetels dat Vlamingen en Franstaligen in de wacht slepen verschillen naargelang van de populariteit van de kopstukken die zij uitspelen. Dat betekent met andere woorden dat wel eens meer Franstaligen voor Vlaamse kandidaten zouden kunnen stemmen dan Vlamingen voor Franstalige.Dat is geen loze bewering: ook hier is de geschiedenis van de 'federale kieskring' B-H-V heel leerzaam.Toch is dat in essentie juist wat de voorstanders van een federale kieskring willen bewerkstelligen: omvangrijke stemmentransfers mogelijk maken tussen Vlamingen en Franstaligen. Zo hopen ze de politieke kopstukken uit beide taalgemeenschappen tot meer communautaire matiging te bewegen. Een nobel streven wellicht. Maar het is tot mislukken gedoemd.Want de kans lijkt bijzonder klein dat veel Vlamingen voor Joëlle Milquet, Laurette Onkelinx of Didier Reynders zouden stemmen. Daarentegen is het niet ondenkbaar dat veel Franstaligen - uit overtuiging of uit tactische berekening - zullen stemmen voor kopstukken uit diverse Vlaamse partijen die een gematigd imago hebben.En wat krijg je dan, om het even over hoeveel mensen het gaat? Vlaamse politici die de Franstaligen naar de mond praten. Nu, daar heb je al 180 jaar lang geen federale kieskring voor nodig. Wat krijg je echter ook? Indien werkelijk een serieus aantal zetels via die federale kieskring zouden worden toegekend, en daardoor in één of twee verkiezingen na elkaar meer Vlaamse kandidaten verkozen zouden worden dan Franstalige, dan kan je er donder op zeggen dat die federale kieskring geen lang leven beschoren zal zijn.
Ten slotte heeft het voorstel een immens nadeel, dat met het hele communautaire gedoe zelfs niets te maken heeft: het zou de macht van de partij-apparaten nog verder versterken, en dus de democratie verzwakken. Hoe groter de kieskring, hoe sterker de greep van de particratie, en hoe machtelozer de kiezer. Dat wisten we a, ten laatste sinds de invoering van provinciale kieskringen. Alleen tot tal van prominente commentatoren en politici is het blijkbaar nog niet doorgedrongen.
(Bron: Knack)

